Tekenen is een vloek en een zegen voor me. Een zegen omdat ik me door te tekenen kan uiten; een vloek omdat het een verslaving is. In mijn werk heb ik me verdiept in vragen over het leven; niet vanuit een religieus of spiritueel standpunt, maar vanuit een socio-biologisch perspectief met de eindigheid van het leven als gegeven. Daar is een persoonlijke filosofie uit ontstaan. Hoe bizar mijn beelden soms ook mogen lijken, de realiteit blijft ongelooflijker dan mijn fantasie. Hoeveel tegenslagen er ook op mijn pad gekomen zijn, mijn hang aan het leven is onverantwoord groot: ik hou van het leven, ik hou van mensen.
In technieken gaat mijn voorkeur uit naar brandschilderen en grafiek (etsen, litho). Deze toch wel ambachtelijke manier van tekeningen en schetsen uitwerken geeft me rust om mijn beelden te verhelderen. Ik hou van contrasten. Een centrale lichtval is kenmerkend voor mijn werk. De beelden krijgen daardoor uitdrukkingskracht; alsof ze door het licht tot leven gewekt zijn. Een terugkerend motief in mijn werk is het kruiswoordraadsel van het leven. (Je kunt een vraag niet stellen, als je het antwoord niet weet en omgekeerd kun je het antwoord niet geven als je de vraag niet kent.)
Ik zie een plaatje van een kind, dat aan de wereld verloren met haar vinger in het zand tekent en daarbij zachtjes een eigen liedje zingt.
Op dat moment komt er iemand langs en vraagt:”Wat ben jij aan het doen?”
Het kind kijkt op en kent de woorden niet. Is ze haar fijne motoriek aan het oefenen, of is ze verloren in de tijd?
Ze kijkt de man aan en glimlacht, dan duwt ze haar vinger weer in het zand en zingt verder.
Ik zie een tiener, bouwend met zand, zingend met de zee, heupwiegend, vrolijk.
Weer komt er iemand langs en vraagt:”wat ben je aan het doen?”
Ze kijkt op, uitdagend, kent de woorden niet. Is ze haar ruimtelijk inzicht aan het trainen, of is ze verloren in de tijd?
Ze kijkt de man aan en glimlacht. Dan pakt ze weer het zand op en zingt heupwiegend verder.
Ik zie een vrouw met kinderen, spelend aan de vloedlijn. Ze zingen samen, lachen.
Weer komt er iemand langs en vraagt:”Wat ben je aan het doen?”
Ze kijkt op, verwonderd, kent de woorden nog steeds niet.
Is ze bezig met opvoeden of is ze verloren in de tijd?
Ze kijkt de man aan en glimlacht. Dan gaat ze weer bij haar kinderen zitten aan de vloedlijn en gaat het spel door.
Ik zie een vrouw, wat ouder nu, maar nog steeds tussen zee en land. Ze luistert naar de golven en de wind, waait met haar handen en pakt zorgvuldig zand en strooit het in een patroon van vormen. Ze lacht.
Weer komt er iemand langs en vraagt:”Wat ben je aan het doen?”
Ze kijkt op verbaasd, kent nog steeds de woorden niet. Is ze gek, of is ze verloren in de tijd?
Ze kijkt de man aan en glimlacht. Ze pakt een volgende hand zand en strooit meer patronen en vormen.
Ik zie een oude vrouw, gerimpeld als de lijnen, die de golven achterlaten op het strand.
Ze beweegt als de golven zelf, zingt als de wind zelf. Soms rustig , soms woest, maar altijd mee met water en wind.
Ze pakt zand op, bouwt en strooit. Ze tovert kastelen en laat ze net zo makkelijk weer wegspoelen.
Weer komt er iemand langs en als hij vragen wil:”Wat ben je aan het doen?”, verliest hij zich ook in de tijd, kijkt alleen en glimlacht.
Ze glimlacht terug en gaat verder met haar spel.
Maart 2006